De Tweede Kamer heeft groen licht gegeven aan een wetsvoorstel dat gericht is op het bieden van meer zekerheid aan werknemers met tijdelijke contracten. Dit voorstel beoogt tevens dat uitzendkrachten gelijke arbeidsvoorwaarden krijgen als hun collega's met vaste contracten. Het gebruik van nulurencontracten wordt eveneens strenger gereguleerd. Zulke contracten, waar geen vast minimum aantal uren wordt gegarandeerd, mogen voortaan alleen nog ingezet worden voor scholieren, studenten en AOW-gerechtigden.
Verder stelt het wetsvoorstel dat een werkgever pas na drie jaar opnieuw een tijdelijk contract mag aanbieden aan een werknemer, na drie opeenvolgende tijdelijke contracten. Door deze regels wordt verwacht dat werkgevers vaker kiezen voor vaste contracten.
Ingrijpen in cao's
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid krijgt extra macht om in te grijpen bij grote verschillen tussen de arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten en reguliere werknemers binnen een sector of bedrijfstak, bijvoorbeeld door cao's aan te passen. Nederland heeft binnen de Europese Unie het hoogste aandeel flexwerkers, met name door tijdelijke medewerkers, die 22 procent van het totale aandeel uitmaken. Dit is aanzienlijk hoger dan in andere EU-landen.
Voordat de nieuwe wetgeving in werking kan treden, moet de Eerste Kamer nog haar goedkeuring geven. Het voorstel is een resultaat van afspraken tussen het kabinet Rutte-IV, vakbonden en werkgevers in 2023. Deze afspraken volgen op aanbevelingen uit 2020 van de commissie-Borstlap, die waarschuwde dat Nederland wellicht zijn hoge welvaartsniveau niet kan handhaven zonder ingrijpen in de arbeidsmarkt. De commissie adviseerde om meer vaste contracten aan te bieden en het gebruik van flexwerkers en zzp'ers te verminderen.