aanbellen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to ring the doorbell
Uitspraak: /ˈaːnˌbɛ.lə(n)/
Voorbeeld
Je moet aanbellen voordat je naar binnen gaat.
Vervoeging
| ik | bel aan |
| jij | belt aan |
| hij | belt aan |
| wij | aanbellen |
| jullie | aanbellen |
| zij | aanbellen |
Verleden tijd
bellde / bellden
Voltooid deelwoord
hebbengeaanbelld
Gebiedende wijs
bell
Voorwaardelijke wijs
zou aanbellen
Toekomende tijd
zal aanbellen
Scheidbaar werkwoord