aanrijden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to drive up to
Uitspraak: /ˈaːnˌrɛi̯.də(n)/
Voorbeeld
De auto probeerde de fietser niet aan te rijden.
Vervoeging
| ik | rijd aan |
| jij | rijdt aan |
| hij | rijdt aan |
| wij | aanrijden |
| jullie | aanrijden |
| zij | aanrijden |
Verleden tijd
rijdde / rijdden
Voltooid deelwoord
hebbengeaanrijdd
Gebiedende wijs
rijd
Voorwaardelijke wijs
zou aanrijden
Toekomende tijd
zal aanrijden
Scheidbaar werkwoord