afbetalen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to pay off
Uitspraak: /ˈɑfˌbeːtaːlə(n)/
Voorbeeld
We moeten de lening binnen vijf jaar afbetalen.
Vervoeging
ikbetaal af
jijbetaalt af
hijbetaalt af
wijbetalen af
julliebetalen af
zijbetalen af
Verleden tijd
betalde / betalden
Voltooid deelwoord
hebbengeafbetald
Gebiedende wijs
betal
Voorwaardelijke wijs
zou afbetalen
Toekomende tijd
zal afbetalen
Scheidbaar werkwoord