aflezen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to read off
Uitspraak: /ˈɑfˌleːzə(n)/
Voorbeeld
Hij kan de tekst van het scherm aflezen.
Vervoeging
iklees af
jijleest af
hijleest af
wijlezen af
jullielezen af
zijlezen af
Verleden tijd
lezde / lezden
Voltooid deelwoord
hebbengeaflezd
Gebiedende wijs
lez
Voorwaardelijke wijs
zou aflezen
Toekomende tijd
zal aflezen
Scheidbaar werkwoord