afspreken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
afspreken
Uitspraak: /ˈɑf.spreː.kə(n)/
Voorbeeld
Zullen we morgen afspreken?
Vervoeging
ikspreek af
jijspreekt af
hijspreekt af
wijspreken af
julliespreken af
zijspreken af
Verleden tijd
sprak af / spraken af
Voltooid deelwoord
hebbenafgesproken
Gebiedende wijs
spreek af
Voorwaardelijke wijs
zou afspreken
Toekomende tijd
zal afspreken
Scheidbaar werkwoord