afstemmen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
tune
Uitspraak: /ˈɑfˌstɛmən/
Voorbeeld
We moeten onze plannen afstemmen.
Vervoeging
| ik | stem af |
| jij | stemt af |
| hij | stemt af |
| wij | afstemmen |
| jullie | afstemmen |
| zij | afstemmen |
Verleden tijd
stemmde / stemmden
Voltooid deelwoord
hebbengeafstemmd
Gebiedende wijs
stemm
Voorwaardelijke wijs
zou afstemmen
Toekomende tijd
zal afstemmen
Scheidbaar werkwoord