anticiperen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to anticipate
Uitspraak: /ɑntisiˈperən/
Voorbeeld
We moeten anticiperen op mogelijke veranderingen in de markt.
Vervoeging
ikanticipeer
jijanticipeert
hijanticipeert
wijanticiperen
jullieanticiperen
zijanticiperen
Verleden tijd
anticiperde / anticiperden
Voltooid deelwoord
hebbengeanticiperd
Gebiedende wijs
anticiper
Voorwaardelijke wijs
zou anticiperen
Toekomende tijd
zal anticiperen