argumenteren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
argue
Uitspraak: /ɑrɣymɛnˈteːrə(n)/
Voorbeeld
Hij kan goed argumenteren tijdens debatten.
Vervoeging
| ik | argumenteer |
| jij | argumenteert |
| hij | argumenteert |
| wij | argumenteren |
| jullie | argumenteren |
| zij | argumenteren |
Verleden tijd
argumenterde / argumenterden
Voltooid deelwoord
hebbengeargumenterd
Gebiedende wijs
argumenter
Voorwaardelijke wijs
zou argumenteren
Toekomende tijd
zal argumenteren