blokkeren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to block
Uitspraak: /blɔˈkeːrə(n)/
Voorbeeld
Hij besloot de weg te blokkeren.
Vervoeging
| ik | blokkeer |
| jij | blokkeert |
| hij | blokkeert |
| wij | blokkeren |
| jullie | blokkeren |
| zij | blokkeren |
Verleden tijd
blokkerde / blokkerden
Voltooid deelwoord
hebbengeblokkerd
Gebiedende wijs
blokker
Voorwaardelijke wijs
zou blokkeren
Toekomende tijd
zal blokkeren