blowen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
to smoke (cannabis)
Uitspraak: /ˈbloːwən/
Voorbeeld
Hij houdt ervan om in het weekend te blowen.
Vervoeging
ikblow
jijblowt
hijblowt
wijblowen
jullieblowen
zijblowen
Verleden tijd
blowde / blowden
Voltooid deelwoord
hebbengeblowd
Gebiedende wijs
blow
Voorwaardelijke wijs
zou blowen
Toekomende tijd
zal blowen