bouwen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
bouwen
Uitspraak: /ˈbɑu̯.ə(n)/
Voorbeeld
Ze willen een nieuw huis bouwen.
Vervoeging
| ik | bouw |
| jij | bouwt |
| hij | bouwt |
| wij | bouwen |
| jullie | bouwen |
| zij | bouwen |
Verleden tijd
bouwde / bouwden
Voltooid deelwoord
hebbengebouwd
Gebiedende wijs
bouw
Voorwaardelijke wijs
zou bouwen
Toekomende tijd
zal bouwen