coderen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
code
Uitspraak: /koˈdeːrə(n)/
Voorbeeld
Zij leert hoe ze moet coderen.
Vervoeging
ikcodeer
jijcodeert
hijcodeert
wijcoderen
julliecoderen
zijcoderen
Verleden tijd
coderde / coderden
Voltooid deelwoord
hebbengecoderd
Gebiedende wijs
coder
Voorwaardelijke wijs
zou coderen
Toekomende tijd
zal coderen