falen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
falen
Uitspraak: /ˈfaː.lə(n)/
Voorbeeld
Hij is bang om te falen.
Vervoeging
ikfaal
jijfaalt
hijfaalt
wijfalen
julliefalen
zijfalen
Verleden tijd
faalde / faalden
Voltooid deelwoord
hebbengefaald
Gebiedende wijs
faal
Voorwaardelijke wijs
zou falen
Toekomende tijd
zal falen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
falen
Uitspraak: /ˈfaːlə(n)/
Voorbeeld
Falen is een kans om opnieuw te beginnen.