hopen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
hopen
Uitspraak: /ˈɦoːpə(n)/
Voorbeeld
Wij hopen op mooi weer morgen.
Vervoeging
ikhoop
jijhoopt
hijhoopt
wijhopen
julliehopen
zijhopen
Verleden tijd
hoopte / hoopten
Voltooid deelwoord
hebbengehoopt
Gebiedende wijs
hoop
Voorwaardelijke wijs
zou hopen
Toekomende tijd
zal hopen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
hopen
Uitspraak: /ˈɦoːpə(n)/
Voorbeeld
Zijn hopen waren hoog gespannen.