improviseren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to improvise
Uitspraak: /ɪmprɔviˈzerən/
Voorbeeld
Tijdens het optreden moesten ze improviseren.
Vervoeging
| ik | improviseer |
| jij | improviseert |
| hij | improviseert |
| wij | improviseren |
| jullie | improviseren |
| zij | improviseren |
Verleden tijd
improviserde / improviserden
Voltooid deelwoord
hebbengeimproviserd
Gebiedende wijs
improviser
Voorwaardelijke wijs
zou improviseren
Toekomende tijd
zal improviseren