installeren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to install
Uitspraak: /ɪnstɑˈleːrən/
Voorbeeld
Ik ga de software installeren.
Vervoeging
| ik | installeer |
| jij | installeert |
| hij | installeert |
| wij | installeren |
| jullie | installeren |
| zij | installeren |
Verleden tijd
stallerde / stallerden
Voltooid deelwoord
hebbengeinstallerd
Gebiedende wijs
staller
Voorwaardelijke wijs
zou installeren
Toekomende tijd
zal installeren
Scheidbaar werkwoord