koppelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
link
Uitspraak: /ˈkɔpələn/
Voorbeeld
Je kunt je telefoon aan de computer koppelen.
Vervoeging
| ik | koppel |
| jij | koppelt |
| hij | koppelt |
| wij | koppelen |
| jullie | koppelen |
| zij | koppelen |
Verleden tijd
koppelde / koppelden
Voltooid deelwoord
hebbengekoppeld
Gebiedende wijs
koppel
Voorwaardelijke wijs
zou koppelen
Toekomende tijd
zal koppelen