leren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
leren
Uitspraak: /ˈleː.rən/
Voorbeeld
Ik wil graag leren hoe ik kan programmeren.
Vervoeging
| ik | leer |
| jij | leert |
| hij | leert |
| wij | leren |
| jullie | leren |
| zij | leren |
Verleden tijd
leerde / leerden
Voltooid deelwoord
hebbengeleerd
Gebiedende wijs
leer
Voorwaardelijke wijs
zou leren
Toekomende tijd
zal leren
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
leren
Uitspraak: /ˈleː.rə(n)/
Voorbeeld
Leren is een levenslang proces.
bijvoeglijk naamwoorda1
Vertaling
leather
Uitspraak: /ˈleːrə(n)/
Voorbeeld
Hij droeg een leren jas.