lopen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
lopen
Uitspraak: /ˈloː.pə(n)/
Voorbeeld
Hij loopt elke ochtend in het park.
Vervoeging
| ik | loop |
| jij | loopt |
| hij | loopt |
| wij | lopen |
| jullie | lopen |
| zij | lopen |
Verleden tijd
liep / liepen
Voltooid deelwoord
hebben/zijngelopen
Gebiedende wijs
loop
Voorwaardelijke wijs
zou lopen
Toekomende tijd
zal lopen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
lopen
Uitspraak: /ˈloː.pə(n)/
Voorbeeld
Het lopen naar school duurt tien minuten.