net

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

zelfstandig naamwoorda1
het
Vertaling
net
Uitspraak: /nɛt/
Voorbeeld
De visser heeft een groot net.
Meervoud
netten
Verkleinwoord
netje
bijvoeglijk naamwoorda1
Vertaling
net
Uitspraak: /nɛt/
Voorbeeld
Zijn kamer is altijd netjes.
bijwoorda1
Vertaling
net
Uitspraak: /nɛt/
Voorbeeld
Zijn kamer is altijd netjes.