opbellen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
call
Uitspraak: /ˈɔpˌbɛlə(n)/
Voorbeeld
Zij gaat haar moeder opbellen.
Vervoeging
| ik | bel op |
| jij | belt op |
| hij | belt op |
| wij | bellen op |
| jullie | bellen op |
| zij | bellen op |
Verleden tijd
bellde / bellden
Voltooid deelwoord
hebbengeopbelld
Gebiedende wijs
bell
Voorwaardelijke wijs
zou opbellen
Toekomende tijd
zal opbellen
Scheidbaar werkwoord