opereren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb2
Vertaling
opereren
Uitspraak: /oːpəˈreːrə(n)/
Voorbeeld
De chirurg moet de patiënt opereren.
Vervoeging
| ik | opereer |
| jij | opereert |
| hij | opereert |
| wij | opereren |
| jullie | opereren |
| zij | opereren |
Verleden tijd
opereerde / opereerden
Voltooid deelwoord
hebbengeopereerd
Gebiedende wijs
opereer
Voorwaardelijke wijs
zou opereren
Toekomende tijd
zal opereren
Scheidbaar werkwoord