oplopen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
to increase
Uitspraak: /ˈɔpˌloːpən/
Voorbeeld
De kosten kunnen snel oplopen.
Vervoeging
| ik | loop op |
| jij | loopt op |
| hij | loopt op |
| wij | oplopen |
| jullie | oplopen |
| zij | oplopen |
Verleden tijd
lopte / lopten
Voltooid deelwoord
hebbengeoplopt
Gebiedende wijs
lop
Voorwaardelijke wijs
zou oplopen
Toekomende tijd
zal oplopen
Scheidbaar werkwoord