opmaken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
to make up
Uitspraak: /ˈɔpˌmaːkən/
Voorbeeld
Ze besloot haar kamer netjes op te maken.
Vervoeging
ikopmaak
jijopmaakt
hijopmaakt
wijopmaken
jullieopmaken
zijopmaken
Verleden tijd
makte / makten
Voltooid deelwoord
hebbengeopmakt
Gebiedende wijs
mak
Voorwaardelijke wijs
zou opmaken
Toekomende tijd
zal opmaken
Scheidbaar werkwoord