oprijden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
drive up
Uitspraak: /ˈɔpˌrɛi̯.də(n)/
Voorbeeld
Hij rijdt de oprit op met zijn fiets.
Vervoeging
| ik | oprij |
| jij | oprijdt |
| hij | oprijdt |
| wij | oprijden |
| jullie | oprijden |
| zij | oprijden |
Verleden tijd
rijdde / rijdden
Voltooid deelwoord
hebbengeoprijdd
Gebiedende wijs
rijd
Voorwaardelijke wijs
zou oprijden
Toekomende tijd
zal oprijden
Scheidbaar werkwoord