partner

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

zelfstandig naamwoorda2
de
Vertaling
partner
Uitspraak: /ˈpɑrt.nər/
Voorbeeld
Mijn partner en ik gaan samen op vakantie.
Meervoud
partners
Verkleinwoord
partnertje