presenteren

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
present
Uitspraak: /preːzɛnˈteːrən/
Voorbeeld
Hij gaat zijn project morgen presenteren.
Vervoeging
ikpresenteer
jijpresenteert
hijpresenteert
wijpresenteren
julliepresenteren
zijpresenteren
Verleden tijd
presenterde / presenterden
Voltooid deelwoord
hebbengepresenterd
Gebiedende wijs
presenter
Voorwaardelijke wijs
zou presenteren
Toekomende tijd
zal presenteren