programmeren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
program
Uitspraak: /ˌproːɣraˈmeːrə(n)/
Voorbeeld
Hij houdt ervan om in zijn vrije tijd te programmeren.
Vervoeging
| ik | programme |
| jij | programmeert |
| hij | programmeert |
| wij | programmeren |
| jullie | programmeren |
| zij | programmeren |
Verleden tijd
programmerde / programmerden
Voltooid deelwoord
hebbengeprogrammerd
Gebiedende wijs
programmer
Voorwaardelijke wijs
zou programmeren
Toekomende tijd
zal programmeren