raken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
raken, aanraken; worden
Uitspraak: /ˈraːkə(n)/
Voorbeeld
Hij raakte de bal met zijn voet.
Vervoeging
| ik | raak |
| jij | raakt |
| hij | raakt |
| wij | raken |
| jullie | raken |
| zij | raken |
Verleden tijd
raakte / raakten
Voltooid deelwoord
hebbengeraakt
Gebiedende wijs
raak
Voorwaardelijke wijs
zou raken
Toekomende tijd
zal raken