reizen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
reizen
Uitspraak: /ˈrɛi̯zə(n)/
Voorbeeld
Wij reizen graag naar exotische landen.
Vervoeging
ikreis
jijreist
hijreist
wijreizen
julliereizen
zijreizen
Verleden tijd
reisde / reisden
Voltooid deelwoord
hebbengereisd
Gebiedende wijs
reis
Voorwaardelijke wijs
zou reizen
Toekomende tijd
zal reizen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
reizen
Uitspraak: ˈrɛi̯.zə(n)
Voorbeeld
We plannen om volgende zomer naar Europa te reizen.