rennen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
rennen
Uitspraak: /ˈrɛn.ə(n)/
Voorbeeld
Hij moet elke ochtend rennen om fit te blijven.
Vervoeging
ikren
jijrent
hijrent
wijrennen
jullierennen
zijrennen
Verleden tijd
rende / renden
Voltooid deelwoord
hebbengerend
Gebiedende wijs
ren
Voorwaardelijke wijs
zou rennen
Toekomende tijd
zal rennen