rondrijden

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
to drive around
Uitspraak: /ˈrɔntˌrɛidən/
Voorbeeld
We gaan een dagje rondrijden om de omgeving te verkennen.
Vervoeging
ikrondrijd
jijrondrijdt
hijrondrijdt
wijrondrijden
jullierondrijden
zijrondrijden
Verleden tijd
rijdde / rijdden
Voltooid deelwoord
hebbengerondrijdd
Gebiedende wijs
rijd
Voorwaardelijke wijs
zou rondrijden
Toekomende tijd
zal rondrijden
Scheidbaar werkwoord