sparen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
sparen
Uitspraak: /ˈspaː.rə(n)/
Voorbeeld
Ik probeer elke maand wat geld te sparen.
Vervoeging
| ik | spaar |
| jij | spaart |
| hij | spaart |
| wij | sparen |
| jullie | sparen |
| zij | sparen |
Verleden tijd
spaarde / spaarden
Voltooid deelwoord
hebbengespaard
Gebiedende wijs
spaar
Voorwaardelijke wijs
zou sparen
Toekomende tijd
zal sparen