tellen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
tellen
Uitspraak: /ˈtɛ.lə(n)/
Voorbeeld
Kun je tot tien tellen?
Vervoeging
iktel
jijtelt
hijtelt
wijtellen
jullietellen
zijtellen
Verleden tijd
telde / telden
Voltooid deelwoord
hebbengeteld
Gebiedende wijs
tel
Voorwaardelijke wijs
zou tellen
Toekomende tijd
zal tellen