vakantie
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
zelfstandig naamwoorda1
de
Vertaling
vakantie
Uitspraak: /vaːˈkɑn.tsi/
Voorbeeld
We gaan volgende week op vakantie naar Spanje.
Meervoud
vakanties
Verkleinwoord
vakantietje