varen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
varen
Uitspraak: /ˈvaː.rə(n)/
Voorbeeld
We gaan morgen varen op het meer.
Vervoeging
| ik | vaar |
| jij | vaart |
| hij | vaart |
| wij | varen |
| jullie | varen |
| zij | varen |
Verleden tijd
voer / voeren
Voltooid deelwoord
hebben/zijngevaren
Gebiedende wijs
vaar
Voorwaardelijke wijs
zou varen
Toekomende tijd
zal varen