vastbinden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
vastbinden
Uitspraak: /ˈvɑstˌbɪndə(n)/
Voorbeeld
Ze moest de doos stevig vastbinden.
Vervoeging
| ik | bind vast |
| jij | bindt vast |
| hij | bindt vast |
| wij | binden vast |
| jullie | binden vast |
| zij | binden vast |
Verleden tijd
bond vast / bonden vast
Voltooid deelwoord
hebbenvastgebonden
Gebiedende wijs
bind vast
Voorwaardelijke wijs
zou vastbinden
Toekomende tijd
zal vastbinden
Scheidbaar werkwoord