vliegen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
vliegen
Uitspraak: /ˈvliː.ɣə(n)/
Voorbeeld
De vogels vliegen hoog in de lucht.
Vervoeging
ikvlieg
jijvliegt
hijvliegt
wijvliegen
jullievliegen
zijvliegen
Verleden tijd
vloog / vlogen
Voltooid deelwoord
hebben/zijngevlogen
Gebiedende wijs
vlieg
Voorwaardelijke wijs
zou vliegen
Toekomende tijd
zal vliegen
Vaak gebruikt met
vliegen als een vogel, vliegen naar de maan
zelfstandig naamwoorda2
Vertaling
vliegen
Uitspraak: /ˈvliː.ɣə(n)/
Voorbeeld
Er zitten veel vliegen in de keuken.