wagen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
wagen
Uitspraak: /ˈʋaːɣən/
Voorbeeld
Hij durfde het te wagen om zijn baan op te zeggen.
Vervoeging
| ik | waag |
| jij | waagt |
| hij | waagt |
| wij | wagen |
| jullie | wagen |
| zij | wagen |
Verleden tijd
waagde / waagden
Voltooid deelwoord
hebbengewaagd
Gebiedende wijs
waag
Voorwaardelijke wijs
zou wagen
Toekomende tijd
zal wagen
zelfstandig naamwoorda1
de
Vertaling
wagen
Uitspraak: /ˈʋaːɣən/
Voorbeeld
De wagen staat in de garage.