werken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
werken
Uitspraak: /ˈʋɛr.kə(n)/
Voorbeeld
Ik moet elke dag werken.
Vervoeging
| ik | werk |
| jij | werkt |
| hij | werkt |
| wij | werken |
| jullie | werken |
| zij | werken |
Verleden tijd
werkte / werkten
Voltooid deelwoord
hebbengewerkt
Gebiedende wijs
werk
Voorwaardelijke wijs
zou werken
Toekomende tijd
zal werken