wonen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to live
Uitspraak: /ˈʋoːnə(n)/
Voorbeeld
Wij wonen in een klein dorp.
Vervoeging
| ik | woon |
| jij | woont |
| hij | woont |
| wij | wonen |
| jullie | wonen |
| zij | wonen |
Verleden tijd
wonde / wonden
Voltooid deelwoord
hebbengewond
Gebiedende wijs
won
Voorwaardelijke wijs
zou wonen
Toekomende tijd
zal wonen