aanbetalen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to make a down payment
Pronunciation: AHN-buh-tah-luhn
Example
We moeten een aanbetaling doen voordat we de auto kunnen ophalen.
We need to make a down payment before we can pick up the car.
Conjugation
ikbetaal aan
jijbetaalt aan
hijbetaalt aan
wijbetalen aan
julliebetalen aan
zijbetalen aan
Past tense
betalde / betalden
Past participle
hebbengeaanbetald
Imperative
betal
Conditional
zou aanbetalen
Future
zal aanbetalen
Separable verb