aanbouwen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
build on
Pronunciation: ahn-bow-en
Example
Ze willen een serre aanbouwen aan hun huis.
They want to build a conservatory onto their house.
Conjugation
ikbouw aan
jijbouwt aan
hijbouwt aan
wijbouwen aan
julliebouwen aan
zijbouwen aan
Past tense
bouwde / bouwden
Past participle
hebbengeaanbouwd
Imperative
bouw
Conditional
zou aanbouwen
Future
zal aanbouwen
Separable verb