aanbreken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
dawn
Pronunciation: ahn-bray-ken
Example
De dag begon aan te breken toen we vertrokken.
The day was breaking when we left.
Conjugation
ikaanbreek
jijaanbreekt
hijaanbreekt
wijaanbreken
jullieaanbreken
zijaanbreken
Past tense
brekte / brekten
Past participle
hebbengeaanbrekt
Imperative
brek
Conditional
zou aanbreken
Future
zal aanbreken
Separable verb