aanleren
Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry
verba1
Translation
to learn
Pronunciation: AHN-lay-ruhn
Example
Het is belangrijk om kinderen goede gewoontes aan te leren.
It is important to teach children good habits.
Conjugation
| ik | leer aan |
| jij | leert aan |
| hij | leert aan |
| wij | leren aan |
| jullie | leren aan |
| zij | leren aan |
Past tense
lerde / lerden
Past participle
hebbengeaanlerd
Imperative
ler
Conditional
zou aanleren
Future
zal aanleren
Separable verb