afkrimpen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to shrink
Pronunciation: af-krim-pen
Example
De stof kan na het wassen afkrimpen.
The fabric can shrink after washing.
Conjugation
ikkrimp af
jijkrimpt af
hijkrimpt af
wijafkrimpen
jullieafkrimpen
zijafkrimpen
Past tense
krimpte / krimpten
Past participle
hebbengeafkrimpt
Imperative
krimp
Conditional
zou afkrimpen
Future
zal afkrimpen
Separable verb