afleren

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to unlearn
Pronunciation: af-le-ren
Example
Het is moeilijk om slechte gewoontes af te leren.
It is difficult to unlearn bad habits.
Conjugation
ikleer af
jijleert af
hijleert af
wijleren af
jullieleren af
zijleren af
Past tense
lerde / lerden
Past participle
hebbengeaflerd
Imperative
ler
Conditional
zou afleren
Future
zal afleren
Separable verb