aflezen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to read off
Pronunciation: af-le-zen
Example
Hij kan de tekst van het scherm aflezen.
He can read the text from the screen.
Conjugation
iklees af
jijleest af
hijleest af
wijlezen af
jullielezen af
zijlezen af
Past tense
lezde / lezden
Past participle
hebbengeaflezd
Imperative
lez
Conditional
zou aflezen
Future
zal aflezen
Separable verb