afspreken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
arrange
Pronunciation: af-sprey-ken
Example
Zullen we morgen afspreken?
Shall we meet up tomorrow?
Conjugation
ikspreek af
jijspreekt af
hijspreekt af
wijspreken af
julliespreken af
zijspreken af
Past tense
sprak af / spraken af
Past participle
hebbenafgesproken
Imperative
spreek af
Conditional
zou afspreken
Future
zal afspreken
Separable verb